“Een sprekend voorbeeld, dat is het zeker.” De man glimlachte naar zijn gesprekspartner. Ergens in de verte remde een trein.
“Gezwam, dat is het. Reken maar dat ze hier meer van zullen horen.” De gesprekspartner, die naast gesprekspartner ook nog jong, blond en drager van een net antracietgrijs pak was, snoof. De oudere man die daarnet nog zo stellig van een sprekend voorbeeld had gesproken, plukte onzeker aan zijn snor. Het was een donkergrijze snor met hier en daar een veeg wit. Zijn jonge metgezel wenkte naar een serveerster. Niet geheel toevallig was ze niet aan het werk en wel zijn verloofde. Ze lachte toen ze hem zag, en liep naar het tweetal toe.
“Dus je denkt…” zei de oudere man, maar de jongeman onderbrak hem. “Het is helemaal geen voorbeeld,” zei hij, terwijl hij de benen van zijn naderende verloofde bewonderde. “En het lijkt misschien sprekend, maar geloof me, spreken doet het niet.”
De oude man keek naar het water waar hij en zijn gesprekspartner tot aan hun enkels in stonden. Hij dacht na, terwijl de verloofde serveerster naderde.
“Maar goed, beste vreemdeling, zoals je ziet nadert mijn verloofde. Ik vond het een eer om deze sloot met je te delen, maar ik moet dringend mijn pak naar de stomerij brengen. Bovendien gaat het morgen regenen.” Hij keek bezorgd naar de strakblauwe lucht. “Daar moeten nog flink wat wolken heen gedreven worden, wil er morgen echt wat vallen.” De oude man knikte afwezig en staarde, in gedachten verzonken, naar de horizon. “Ach,” dacht hij bij zichzelf, terwijl hij zijn voormalige slootgenoot gearmd met een serveerster door het weiland zag wandelen, “was ik nog maar in de Puddingvallei.”
Hoofdstuk 1
14 februari 2009Hoofdstuk 2
14 februari 2009Siebrand Snor was berucht in de Puddingvallei. Nu stond hij tot aan zijn enkels in een boerensloot. “Geitenkaas,” dacht Snor, terwijl het begon te schemeren.
Hoofdstuk 3
14 februari 2009Het was al donker toen hij wakker werd. “Of is het niet al, maar nóg donker?” vroeg hij hardop aan zichzelf. Hij besloot dat het nogal donker was en ging op zoek naar een elektrische gitaar. Hij had al zó lang geen gitaar meer gespeeld, dat hij nog nooit van zijn leven een gitaar had aangeraakt. “Ja,” dacht hij bij zichzelf, “geitenkaas.” En hij klom op de oever van de sloot en begon zijn ene voet voor de andere te zetten en vice versa vice versa vice versa. Het sprekende voorbeeld bleef alleen achter in de sloot. Het keek Snor sipjes na.
Hoofdstuk 4
14 februari 2009“In de Puddingvallei is het alle dagen dag.”
Het is misschien wel het minst bekende spreekwoord in de vallei, waar het vrijwel elke dag nacht is. En vice versa vice versa vice versa. De vallei staat bekend om zijn prachtige staartdelingen en om zijn heerlijke uitgebakken spekjes. En de Puddingvallei zou de Puddingvallei niet zijn als het het Karamelbos was geweest. Dat zou het veel liever hebben gehad, dat het het Karamelbos was. Maar de Puddingvallei zou het Karamelbos niet zijn als het de Puddingvallei was.
Er was geen reden om te denken dat Siebrand Snor de Puddingvallei ooit zou benadelen. Die reden was er ooit geweest, maar Siebrand Snor had hem laten executeren. Het was het begin van een schrikbewind dat bekend zou komen te staan als “Het schrikbewind van Siebrand Snor”. De ene na de andere reden werd over de kling gejaagd. Het waren er zoveel dat de kling op het laatst tot op de draad versleten was.
En nergens een elektrische gitaar te bekennen.
Hoofdstuk 5
14 februari 2009Knuft zwiebelde met zijn zwezerik. Als een paling glibberde de droebel door de gniert. “Ach,” dacht Knuft, “waar is toch dat struweel?” En hij was zich dat met zo’n snelheid aan het afvragen, dat hij het meisje met de kruidkoek bijna onder de voet liep. Bedremmeld keek ze naar het knarsen van de belatafelde Knuft. “Och meisje,” zei die, “wie heeft er zo over jou zitten dremmelen?” Ze antwoordde snikkend: “Ach Knuft, tegen de draadsheid van Bombom Arie valt niets te beginnen, laat staan dat je er tegen zou kunnen eindigen.”
“Laten staan?” zei Knuft. “Dat wil ik best, maar jij hebt het net al laten vallen. En wie denkt Bombom Arie wel niet dat hij is?”
En het meisje zei: “Oh, dat weet ik niet. Ik weet hoe Bombom Arie wel niet denkt dat hij is, waarom hij het denkt en waar en wanneer. Maar ik weet niet wie. Overigens weet ik vrij zeker dat ik daarnet nog een kruidkoek had.” Het meisje keek naar de kruidkoek in haar hand. “Behoorlijk zeker, zelfs,” zei ze stellig, “want hoe kan ik hem nu in mijn hand hebben, als ik hem niet daarnet ook al nog had?”
Knuft greep de kruidkoek en smeet hem in het struweel. “Zo!” zei hij.
“Welnee,” zei het meisje zonder de kruidkoek, “zo kan het niet gegaan zijn. Toe, ga eens terug naar waar je vandaan kwam. Ik heb dingen die gedaan moeten worden.”
“Echt? Waar?”
“Ja, echt waar.”
“Nee.”
“Nee?”
“Waar?”
“Ja, waar. Heus. Serieus. Eerlijk.”
Knuft keek Toe na, die aan het teruggaan was naar waar hij vandaan kwam. “Waarom moest Toe eigenlijk weg, meisje? Je had hem net.”
Ze schudde haar hoofd. “Niet. Ik had hem al jaren en ik begon hem behoorlijk zat te worden. Altijd maar dat gebroggel. Waarom dat broggelen nou altijd maar moet waar ik bij ben. Zie ik er soms uit als een schoppenvrouw?”
“Soms wel, eerlijk gezegd,” antwoordde Knuft, “soms wel.”
Hoofdstuk 6
14 februari 2009Ja, de puddingvallei. Waar de bloer vredig knervelt als de wissewassers slivven. Iedere keer als hij vreemdelingen naar verloofde serveersters zag wenken, dacht Siebrand Snor aan de Puddingvallei. Mits hij met zijn voeten in een sloot stond, natuurlijk, maar zeg nu zelf ook eens iets. Hier, ik zal een stuk wit laten, zodat je zelf ook iets kunt zeggen
Hoofdstuk 7
14 februari 2009“Twijfel,” zei Siebrand Snor, “is eigenlijk een soort metafoor.” In de verte viel een boom. De man naast Snor had verstand van vallende bomen. Hij herkende het geluid als het typische geluid dat een vallende boom maakt als er niemand in de buurt is om het te horen.
“Waarvoor?” zei de vallendebomenkenner.
“Meta-foor.” antwoordde Snor.
“Twijfel eet eters?” vroeg de vallendebomenkenner, terwijl hij wanhopig probeerde een serveerster te wenken. “Potver!” riep hij. “Waarom heb ik nu mijn armen niet bij me?”
Siebrand Snor frummelde aan zijn snor. “Ha ja,” dacht hij, “eter-eters!” En hij zei: “Je armen liggen bij de Pretfabriek.” Hij wist niet waarom hij dat wist. Hij had ook geen enkele reden om aan te nemen dat het waar was.
De kenner van vallende bomen wiebelde ongemakkelijk heen en weer. Snor keek hem afkeurend aan. “Zou je dat niet gemakkelijk doen? Dit is zo ongemakkelijk. Voor een kenner van vallende bomen, het moet gezegd, heb je wel erg weinig verstand van de gemakkelijkste manier om heen en weer te wiebelen.”
De kenner van vallende bomen gaf schoorvoetend toe dat de gemakkelijkste manieren om heen en weer te wiebelen door andere kenners van vallende bomen misschien wel beter onder de knie gehad waren. “En hou op met dat geschoorvoet!” schreeuwde Snor. “Je jaagt de vissen tegen je in het harnas!”
Hoofdstuk 8
14 februari 2009Geen geschoorvoet in de Puddingvallei. Daar had Siebrand Snor wel voor gezorgd met dat bewind waar iedereen zo van schrok. Met voeten werd niet geschoord, zo luidde de wet. Die had de klokken in de toren vervangen en luidde nu ieder decreet. Meestal twintig keer per dag, maar bijna altijd minder. En als de wet niet aan het luiden was, dan zorgde de oh zo draadse Bombom Arie wel dat er van schoren, al dan niet met voeten, geen sprake was. Het joeg de vissen in het harnas. En alsof dat nog niet erg genoeg was, zo deden de Geelmajoren. Die deden voortdurend alsof het allemaal nog erger moest. En niemand begreep waarom. Siebrand Snor wist wel wat hij met de Geelmajoren aan moest. Ja, hij wel. Hij husselde en trusselde de kwajongens totdat ze geen pap meer lustten. Hij haalde de sliep uit hun scharen en rammelde ze dwars doorheen.Tot de pap ze uit de oren kwam en ze de lust om “boe” te zeggen niet meer konden vinden. Nergens in de krochten was nog een restje lust te bekennen. En op het eind was zelfs de zwiebel uit hun zwezerik.
Maar Bombom Arie, ach, zonder de dremmel had hij Snor helemaal nooit nodig gehad. Dan had hij hem gewoon met rust kunnen laten, Snor en die vervloekte sloten van hem. Dan had hij de Snor kunnen scheren toen de peupelaars hem dat vroegen. Dan had hij geheel eigenhandig kunnen schrikken, bewind en al. Maar er was altijd de dremmel.
Hoofdstuk 9
14 februari 2009En had niet Knuft, ja hij, geheel eigenhandig, zonder hulp van buitenaf of binnenop en met slechts het geglibber van de gniert als aanmoediging, Bombom Arie de deur gewezen? Nee, dacht Knuft bij zichzelf, trots als een regenboog, dat had hij niet. Bombom Arie had hem gevraagd waar de deur was en Knuft had niet gewezen.
Dat was lang geleden en nu had Knuft onenigheid met een knijterbijter. “Wat wij hier met z’n beiden hebben,” dacht Knuft, “ik en deze knijterbijter, is niet enig. Integendeel.” Hij beschermde zijn knijter met zijn sjampeter. “Nu maar hopen dat er geen sjampetereter in de buurt is,” dacht Knuft, “want dan zal ik m’n sjoermeknoer tevoorschijn moeten halen.”
Welnu, dacht de knijterbijter, niet dan. Niet dan, niet toen, wel nu. En blij als een bij is rijstebrij beet hij knijter. Knuft vermeed de beet. “Nondeju!” schreeuwde hij. “Moet dat?”
De knijterbijter keek hem aan. “Zeg zwamneus,” sprak hij met schorre stem, “is die knijter van jou al gaar? Ik heb nog meer te doen over drie dagen.” Hij haalde een oogbol uit zijn kas en gaf die aan Knuft. “En zoals je kunt zien, ben ik aan de beurt.”
Knuft at de bol op. “Inderdaad.” zei hij, toen hij hem had doorgeslikt, “De gniert is warm vandaag.”
Hoofdstuk 10
14 februari 2009De Skaggerbrat lag ooit in het zuiden van de Puddingvallei. Maar toen Siebrand Snor daar met scepters begon te zwaaien, stond hij op en vloog hij naar land ver, ver, ver weg. De Skaggerbrat hield niet van toen, niet van Siebrand Snor, niet van daar, niet van scepter en niet van zwaaien. Beginnen met liet hem koud, maar desalniettemin had de Skaggerbrat alle redenen om niet te houden van wat was verzameld en ze vervolgens gebruikt om de aanleiding te zijn van zijn vertrek. De grootste rivaal van Siebrand Snor had zijn biezen gepakt en ze meegenomen naar ver, ver, ver weg.
Niet iedereen was blij met het vertrek van de Skaggerbrat, maar niet iedereen was eigenlijk overal wel blij mee. Niet iedereen was een vrolijke blijerd. De Mopperpot daarentegen kon het vertrek van de Skaggerbrat niet waarderen, hoezeer hij ook zijn best deed. De Puddingvallei moest zijn Boer met Kiespijn al missen sinds het Onaangename Incident. Moest het nu ook nog eens de Puddingvallei zijn zonder dat de Skaggerbrat in zijn zuiden lag? De Mopperpot slaagde er maar niet in om zich voor te stellen dat dat de Puddingvallei zou lukken.
Hoofdstuk 11
14 februari 2009“Fluif de huiver!” riep een stem.
“Brank de kruwelen! Ah! Er gaat niets boven het bovenste! Ruik toch eens die bronkende schonkels!” De roeper van voorgaande keek trots om zich heen. Bonkig en schonkig stond hij bebaard de taferelen te aanschouwen die de behoefte hadden zich precies daar af te spelen waar zijn blik landde. Het zout schuurde langs hoeken en vlakken, maakte bot wat scherp was en ruw wat glad was. “En dat in een boerensloot,” dacht Brandbaard. Hij keek opzij naar Siebrand Snor, die de huiver floof. Terwijl hij de laatste gnipjes uit de snoerie wusselde, zei hij: “Ik ben bang dat de kruwelen op zijn, beste brave Brandbaard. En bovendien weet je best dat ik hier niet ben om de vervloekte kruwelijntjes van jou een brankerd te geven.” Hij veegde het zout van zijn snor. Hij stak zijn paraplu omhoog en riep: “Wiebeldewop!”
“Nou ja zeg!” sputterde Brandbaard. “Het zout mag dan bot maken wat scherp is en ruw wat glad is, dat betekent nog niet dat je zomaar wiebeldewop mag roepen!”
“Nou,” zei Snor koeltjes, “als het zout dat bot maakt wat scherp is en ruw wat glad is dat niet betekent, dan beteken ik het zelf wel. Hoor je dat, Brandbaard de pandbaard? Ik beteken dat ik zomaar wiebeldewop mag roepen!”
Brandbaard zweeg in alle talen die hij kende. Hij had geen idee hoe hij klonk in talen die hij niet beheerste.
“Jahaa!” riep Snor triomfantelijk. “Heb je het nog niet gehoord? De gniert is warm en dat betekent dat de knijterbijter aan de beurt is. En dat is waarom ik hier ben, in deze vervloekte sloot, zonder dat er ook maar een verloofde serveerster in de buurt is, om nog maar te zwijgen van geserveerde verloofsters.”
Brandbaard keek naar zijn voeten en mompelde iets onverstaanbaars. “Oh nee,” zei Snor, “het mompelen van onverstaanbare ietsen zal je niet gaan redden. Niet dit keer, nu het eindelijk tijd is om de sloten te ontdoen van hun kroos en hun sleutels. Zowaar ik hier sta! Hoewaar, vraag je? En ik zeg je: zowaar!”
Hoofdstuk 12
14 februari 2009Een knijterbeet, dacht Knuft, is geen fluwelen overjas. Als een knijterbeet één ding niet is, en ik zou mogen kiezen welk ding, dan zou ik gaan voor de fluwelen overjas. Maar een knijterbeet is wel meer dan één ding niet, dacht Knuft bijna hardop. Het is oneindig veel dingen niet. Het is eigenlijk maar raar dat het nog wel iets is.
“De droebel!” zei Knuft hardop. “Het was al die tijd de droebel!”
Het meisje met de kruidkoek keek hem vragend aan. “Hoe weet je dat zo zeker, Knuft? Gaat er niet meer dan één knimper in de tuikmeluik? Is er dan niet één moment van twijfel in die grabbelton die vol zit met de momenten die van zekerheid zijn?”
Knuft schudde zijn Knuftenhoofd. “Om de drommel niet.” zei hij.
“Waarom niet?” vroeg het meisje met de kruidkoek.
“De drommel.”
“Bedoel je die arme?” vroeg het meisje met de kruidkoek.
“Inderdaad. Om hem zitten er geen momenten van twijfel in die grabbelton.” Knuft grabbelde en pakte een moment. Er stond met grote koeienletters op: “VAN ZEKERHEID. AFBLIJVEN!”
Hoofdstuk 13
14 februari 2009Antropomoksigrottel was al een hele tijd op zoek naar de Skaggerbrat. “Want,” zo had hij de Mopperpot uitgelegd, “als de gniert warm is en de Skaggerbrat ligt niet in het zuiden, dan zijn de rapen nog lang niet jarig.” De Mopperpot wist maar al te goed wat dat betekende: geen taart. En zonder taart zouden hij en Antropomoksigrottel nooit ontdekken hoe ze bij Grootvaders Paradox konden komen.
Hoofdstuk 14
14 februari 2009Knuft rende alsof zijn leven ervan afhing. “Knuft,” vroeg het meisje met de kruidkoek, “waarom ren je zo hard?”
“Omdat mijn leven ervan afhangt!” riep Knuft. “We moeten naar de Belendende Percelen! Daar ligt de dremmel!”
Hoofdstuk 15
14 februari 2009Siebrand Snor voelde de tijd dringen. “Zeg,” zei hij verontwaardigd, “het is onbeleefd om zo te dringen. Bovendien is dringen niet in het bezit van zin, waardoor het hele gebeuren een bij deze uitgesproken futiel karakter heeft. Wacht op je beurt. Die komt niet voordat de knijterbijter er mee klaar is.”
Het gedrang hield op. Snor keek naar het levenloze lichaam van Brandbaard. “Ha!” zei hij tevreden. “Daar was laatst een leven loos!” En maar goed ook, dacht Snor bij zichzelf, al was het maar omdat er niemand anders was om het bij te denken. Als Bombom Arie zou ontdekken hoe verbazend warm de gniert wel niet was, zou hij op vrijwel hetzelfde moment ontdekken hoe warm de gniert wel wel was. En Bombom Arie zou niet zomaar zijn leven lozen voor een wiebeldewop. Oh, de graagte waarmee Snor zijn draadse makker naar de versjtering wilde brallen, was groter dan ooit. En ooit, dacht Snor, was al behoorlijk groot.
Hij huppelde haaks op de nering, in de richting van de grote flamboer. Als de knijterbijter daar niet was, dan was hij wel ergens anders. Siebrand Snor stak zijn paraplu in de lucht en grijnsde.
“Wiebeldewop!”
Hoofdstuk 16
14 februari 2009“De Belendende Percelen?” Het meisje met de kruidkoek keek Knuft vragend aan. “Dremmel in de Belendende Percelen? Waarom zou de zich willen laten belendenen door een stel percelen? Dat is je reinste overhemd.”
Knuft keek naar zijn overhemd. “Ja,” zei hij, “dit is niet alleen mijn enige, maar ook mijn reinste overhemd. Twee eigenschappen in één kledingstuk. Stel je voor dat ik een overhemd zou kopen dat nog reiner was. Dan zou dit alleen nog maar mijn enige zijn.” Hij dacht even na. “Nu je het zegt, trouwens, ik weet ook niet wat de dremmel ziet in die belendening. Maar de gniert is warm en dat verandert de zaak. Heb je er al aan gedacht dat Bombom Arie er zeker achter zal komen? En als hij dat doet, waar is dan de dremmel nog veilig?”
Het meisje met de kruidkoek fronste haar kuiten. “Ach, Knuft. Wou je soms beweren dat de dremmel veilig is als de percelen hem belendenen?”
“Soms wel, ja.” Antwoordde Kuft. “Soms wou ik dat dolgraag beweren. Bombom Arie zal volstromen met frivool als hij erachter komt hoe warm de gniert al is. En als de rapen dan nog niet jarig zijn, zitten we mooi zonder taart.”
Hoofdstuk 17
14 februari 2009De knijterbijter moest eens weten wat hij gedaan had. Het moest van de drommel. Maar dat was eens, maar nooit weer. Nu hoefde het niet meer. Tevreden was de knijterbijter zich volkomen onbewust van wat hij had gedaan. “Hoepla!” zei hij, scheel van voldaanheid. “Jazeker: hoepla!” Hij voegde de draad bij het woord en hing er zijn vuile was aan. “Nee maar,” zei de knijterbijter, “wat een onreine rommel toch, daar aan die draad. Laten we hopen dat het over drie dagen gaat regenen.”
Hoofdstuk 18
14 februari 2009Als men in de Puddingvallei ergens bang voor was, dan was het wel de frivool. De verwoestende kracht van frivoligheid joeg zelfs de Skaggerbrat de stuipen op het lijf. En zie stuipen maar eens weg te krijgen als ze zich eenmaal (of vaker) op een lijf hebben laten jagen. Dat is keihard werken. En ook dat joeg de Skaggerbrat de stuipen op het lijf. Uiteindelijk waren de stuipen met zoveel, dat ze hem optilden en meenamen, om hem uiteindelijk voor het Dilemma te plaatsen. Het was dat Antropomoksigrottel de Skaggerbrat naar Grootvaders Paradox wist te slepen, anders was hij bezweken onder al die duivelse stuipen.
In de Puddingvallei was niets zo beangstigend als de frivool. Overal waar hij stroomde, draalde de wriemel in barrels op de daken neer. Zelfs de drommel ging een blokje om als hij de zure wasem van de frivool op zijn oogbol voelde slaan. Knetterend van bangigheid sloop de ronkel in zijn donkere hol als het geluid van frivool zelfs de knarren overstemde. “Rompoer!” gilde de gilmeid bij het voelen van de naderende onheilige. Stekeldwars van al deze onbenulligheden trok de frivool zich van dit alles geen humperdump aan. Zelfs niet als het hem misschien best leuk zou staan.
De Mopperpot wist maar al te goed hoe warm de gniert was. Hij wist ook dat Bombom Arie vol zou stromen met frivool als de warmte van de gniert zich zou voegen bij die verzameling van dingen waarvan Bombom Arie op de hoogte was. “Droezende drietenen!” dacht de Mopperpot hardop. Omdat er niemand in de buurt was om de gedachten van de Mopperpot te horen, maakten ze het geluid van een vallende boom. “Gekafuizeld geschormor! Het kan niet lang meer duren voordat Bombom Arie weet hoe een beer een verwilderde nachtspiegel vangt. En daarna kan het al helemaal niet lang meer duren. Alle apen op een ijsberg! En snel een beetje!” De Mopperpot beende de scène uit om alle apen te gaan zoeken.
Hoofdstuk 19
14 februari 2009Zonder taart zou Antropomoksigrottel er nooit achter komen waar Grootvaders Paradox nu weer was. En zonder jarige rapen zou er geen taart zijn. Maar hoe moest hij de Skaggerbrat dan weer in het zuiden laten liggen? “Als iemand het kan zonder te weten waar Grootvaders Paradox nu weer is, dan ben ik dat dus, want ik ben iemand.” Maar Antropomoksigrottel wist ook wel dat hij zichzelf voor de gek hield. En niet voor niets: iedereen wist dat je Grootvaders Paradox kon vinden als je er maar in slaagde jezelf voor de gek te houden totdat je op de laatste plaats om te zoeken was aangeland. Omdat iedereen die dacht dat dat ging werken zichzelf voor de gek hield, lukte het velen om op die manier bij grootvaders Paradox te komen. Het enige nadeel was dat het op die manier veel langer duurde dan Antropomoksigrottel zich meende te kunnen veroorloven.
Hij fnook nadenkend aan zijn jirmel. Ooit had hij de Skaggerbrat van diverse stuipen afgeholpen. Zou dat nog uitmaken? Zou de Skaggerbrat zich nog herinneren dat hij ooit bijna tot stervens toe bestuipt was geweest? Zou hij nog weten dat Antropomoksigrottel hem toen onverdroten en zonder aandacht te besteden aan de kommer, de kwel en andere obstakelige dwarsigheden zo van je ene tweeje naar de Paradox gejoempeld had? Zou het de Skaggerbrat überhaupt een x aantal lorren waarbij x > 0 kunnen schelen dat hij zonder Antropomoksigrottel nooit ontsuipt geweest geworden was gebleken schijnen lijken? Antropomoksigrottel liet zijn twijfel er op los. Die werkte zich al knagend een weg door de mogelijke antwoorden op de stelling die Antropomoksigrottel zojuist voor zijn eigen voeten had geponeerd. Of gedeponeerd, afhankelijk van het gebruik van de letters d en e. Antropomoksigrottel dedeponeerde één van de antwoorden door hem op te pakken en er mee akkoord te gaan. Hij schudde hem even heen en weer om de restjes twijfel te verwijderen. “Ach,” zei hij hardop tegen zichzelf in het algemeen en niemand in het bijzonder, “ik wou dat Kale Bas nog was. Die zou de twijfel eenvoudigweg een stoemperd op z’n hoemperd geven en het antwoord met een flinke snokkelman naar Grootvaders Paradox gepeermeteerd hebben.” Niemand in het bijzonder knikte instemmend.
Antropomoksigrottel stilde zijn honger met wat verdoofde oren en ging op weg naar het knagende antwoord op de twijfel van zijn onwetendheid.
Hoofdstuk 20
14 februari 2009Lang geleden betrok Bombom Arie al eens de Belendende Percelen, maar de betrokkenen waren daar niet blij mee. Ze belaagden hem zo vaak en zo hard met mineureuze kafonkels dat hij er draads van werd. Toen hij eenmaal besloot een ex-betrekker van de Belendende Percelen te worden, was het al te laat om te ontdraden. Siebrand Snor had zijn bewind nooit zo schrik kunnen maken als Bombom Arie niet over zoveel draadsheid had beschikt. De knuiter stuitert waar een fluiter puitert, zeggen ze in de Puddingvallei. Maar niemand weet waarom.
Als een schaafse knaaf liet Bombom Arie zich het wukkelmukje van de snode Snor maken. Of zoals de in de Puddingvallei onbekende maar beminde knid-iep zegt:
“Knid-IEP! Knid-IEP!”
Hoofdstuk 21
14 februari 2009Rojan Blojan stond te trillen in zijn sloot. Achter hem klonk de stem van Siebrand Snor. Voor hem stond een ezel parmantig lelijke eendjes in een baksteen te naaien.
“Sla me gade!” riep Snor. Maar Rojan Blojan draaide zich niet om. “Bekak, maar lekker, heermeneer!” zei hij met trillende stem. “Als je me naar de Verre Dinges wilt sturen, dan doe je dat maar. Ik kan je toch niet tegenhouden. Maar je gade ga ik echt niet slaan.”
Snor snoof snoevend. “Verduiveld verwaansel! Waar haal jij het lef vandaan om de gade niet te willen slaan? Ik ben Siebrand Snor!”
Rojan Blojan opende zijn schedeldak en haalde een roze wolk uit zijn hoofd. “Hier,” zei hij, terwijl hij de wolk naar de ezel smeet, “hier heb je je gore lef!”
“Het is mijn gore lef niet, maar het jouwe,” antwoordde Snor. “Bovendien heb ik hem niet. Stomkop!”
Rojan Blojan barstte in snikken uit. “Hoe moet ik nou weten dat dat gore lef niet van jou is?” schreidde hij. “Zie ik er soms uit als iemand die weet dat dat gore lef niet van jou is?”
Snor haalde diep adem. “Ach, Rojan Blojan, wat maakt het uit? Zie, de ezel heeft het gore lef al parmantig in een baksteen genaaid. Wel verdraaid, zie je hoe gehaaid dat beestje naar ons zwaait? Dat betekent dat ik verder moet. Ik wop de wiebel nog even, als je het niet erg vindt.”
“Och,” antwoordde Rojan Blojan, “Eigenlijk vind ik het maar een beetje.”
De wop werd gewiebeld en Snor toog verder naar de kant die hij opging.
Hoofdstuk 22
14 februari 2009De Skaggerbrat zoog eens diep. Poperdesnoper, vond hij, wat een knal van een zoog! Mooi dat niemand hem dat na zou kunnen doen. Bevlogen lag hij in een uithoek van een denkbeeldige veelhoek. Hij peurde de vloog uit zijn zwappel, terwijl hij erover nadacht om zich te herpositioneren teneinde te belanden in het middelpunt van een denkbeeldige cirkel. Maar de exacte locatie van het afgeronde geheel was niet bepaald bepaald. En de Skaggerbrat had weinig zin in dat gedoe met al die palen. Nee, dacht hij, mijn onbepaalde tijd is nog niet ten einde. En met een laatste peur ontvloog hij zijn zwappel.
Hoofdstuk 23
14 februari 2009“Oh nee!”
dacht Knuft.
“Laat het niet daar zijn!”
“Laat het niet waar zijn?” vroeg Vragende Toon.
“Daar!” fulmineerde Knuft. “Laat het er niet zijn! Zorg alsjeblieft dat het ondaar is!”
Het meisje met de kruidkoek keek Vragende Toon kijkend aan. “Jij rotpeer!” riep ze. “Je weet best wat Knuft bedoelt! Je mag het best laten zijn, zolang je dat maar ergens anders doet. Waarom ben je zo aan het rotperen?”
Vragende Toon plaatste een vraagteken in het luchtledige. Hij schouderde zijn vragende keek op en driemelde naar Knuft. “Ah!” zei hij met een dikke zweem van triomf, “Dus zo zit de vork in het onderste van de kan!”
“Wacht even Toon,” zei het meisje met de kruidkoek, “je hebt een zweem. Hè getver, die triomf ook altijd.” Ze veegde het ding van Toons besmuikte bakkes. “Oh, en je bakkes is ook besmuikt, zie ik.” Ze maakte aanstalten, maar Toon zei: “Laat maar, meisje met de kruidkoek. Aanstalten werken niet tegen deze hardnekkige smuik. Dat is al eens geprobeerd.” Teleurgesteld smeet het meisje met de kruidkoek haar aanstalten stuk tegen een verzameling gruzelementen. De zweem vluchtte geschrokken een hol in.
“Desalniettegenstaande waardeer ik het gebaar,” zei Vragende Toon. “En dat is niet niks, een gebaar waarderen terwijl je desalniettegenstaat. Dat is niet niks.”
Knuft hoorde het gebronkel aan totdat de drift hem uit de oren stroomde. “Toon!” riep hij. “Vragende Toon! Waarom doe je alsof je niet ziet wat ik zeg en hoort wat ik bedoel? Denk je soms dat ik van een belatafel gekieperd ben? Of haal je soms je snoeverd op voor mij?”
Vragende Toon keek hem aan met het gedonder van een blikken trommel. “De vork, Knuft. Ik weet hoe hij in het onderste van de kan zit. Wat zeg je me daar van, luizenpels?”
“Ach, Vragende Toon,” zei het meisje met de kruidkoek, terwijl ze haar best deed om niet zo hop weg te zakken in de bodem, “iederéén weet hoe een vork het onderste van de kan vangt. Maak toch niet zo’n hoela van die hele vork. Gebruik liever de helft, dan hebben de anderen ook nog wat.”
“Ondaar!” riep Knuft. “Vergeet die hola met haar hoela! Je mag de vork hebben, van begin tot eind en weer terug en weer heen! Als je het maar ondaar laat zijn!” Zwiftig als een gneep kordeerde hij de bakkes van Vragende Toon. Die hoempelde oversteboven alsof het een lieve lust was. Kelengkengkedeng, ging Vragende Toon naar het achterste van de tong. Die schraapte de perplexigheden uit het wit van zijn ogen. “Zwuivende zwoerels!” riep Vragende Toon, vol van bittige lendigheid. “Je krijgt je zin, Knuft. Hij luidt: ‘Een sprekend voorbeeld, dat is het zeker.’ Alsjeblieft, nu is hij weer van jou.”
“En het?” vroeg Knuft, nog napuggend van de kordering. “Wat doe je met het?”
Vragende Toon ging naast de feiten liggen. “Ik laat het ondaar zijn. Ga nu weg, want ik wil slapen. Over drie dagen gaat het regenen.”
Enfin
14 februari 2009En de rapen? Die waren nog steeds niet jarig. De dremmel lag in de Belendende percelen te wachten op wat komen ging en de Skaggerbrat lag ver, ver, ver weg te wachten op wat gaan ging. Antropomoksiggrottel liep zichzelf achterna, op weg naar Grootvaders Paradox. De gniert bleef warm, al leek Bombom Arie het benul daarvan nog niet te pakken te hebben. En op het Slechte Pad liep een eenzame allenigerd: Siebrand Snor.