Het was al donker toen hij wakker werd. “Of is het niet al, maar nóg donker?” vroeg hij hardop aan zichzelf. Hij besloot dat het nogal donker was en ging op zoek naar een elektrische gitaar. Hij had al zó lang geen gitaar meer gespeeld, dat hij nog nooit van zijn leven een gitaar had aangeraakt. “Ja,” dacht hij bij zichzelf, “geitenkaas.” En hij klom op de oever van de sloot en begon zijn ene voet voor de andere te zetten en vice versa vice versa vice versa. Het sprekende voorbeeld bleef alleen achter in de sloot. Het keek Snor sipjes na.