Knuft zwiebelde met zijn zwezerik. Als een paling glibberde de droebel door de gniert. “Ach,” dacht Knuft, “waar is toch dat struweel?” En hij was zich dat met zo’n snelheid aan het afvragen, dat hij het meisje met de kruidkoek bijna onder de voet liep. Bedremmeld keek ze naar het knarsen van de belatafelde Knuft. “Och meisje,” zei die, “wie heeft er zo over jou zitten dremmelen?” Ze antwoordde snikkend: “Ach Knuft, tegen de draadsheid van Bombom Arie valt niets te beginnen, laat staan dat je er tegen zou kunnen eindigen.”
“Laten staan?” zei Knuft. “Dat wil ik best, maar jij hebt het net al laten vallen. En wie denkt Bombom Arie wel niet dat hij is?”
En het meisje zei: “Oh, dat weet ik niet. Ik weet hoe Bombom Arie wel niet denkt dat hij is, waarom hij het denkt en waar en wanneer. Maar ik weet niet wie. Overigens weet ik vrij zeker dat ik daarnet nog een kruidkoek had.” Het meisje keek naar de kruidkoek in haar hand. “Behoorlijk zeker, zelfs,” zei ze stellig, “want hoe kan ik hem nu in mijn hand hebben, als ik hem niet daarnet ook al nog had?”
Knuft greep de kruidkoek en smeet hem in het struweel. “Zo!” zei hij.
“Welnee,” zei het meisje zonder de kruidkoek, “zo kan het niet gegaan zijn. Toe, ga eens terug naar waar je vandaan kwam. Ik heb dingen die gedaan moeten worden.”
“Echt? Waar?”
“Ja, echt waar.”
“Nee.”
“Nee?”
“Waar?”
“Ja, waar. Heus. Serieus. Eerlijk.”
Knuft keek Toe na, die aan het teruggaan was naar waar hij vandaan kwam. “Waarom moest Toe eigenlijk weg, meisje? Je had hem net.”
Ze schudde haar hoofd. “Niet. Ik had hem al jaren en ik begon hem behoorlijk zat te worden. Altijd maar dat gebroggel. Waarom dat broggelen nou altijd maar moet waar ik bij ben. Zie ik er soms uit als een schoppenvrouw?”
“Soms wel, eerlijk gezegd,” antwoordde Knuft, “soms wel.”