En had niet Knuft, ja hij, geheel eigenhandig, zonder hulp van buitenaf of binnenop en met slechts het geglibber van de gniert als aanmoediging, Bombom Arie de deur gewezen? Nee, dacht Knuft bij zichzelf, trots als een regenboog, dat had hij niet. Bombom Arie had hem gevraagd waar de deur was en Knuft had niet gewezen.
Dat was lang geleden en nu had Knuft onenigheid met een knijterbijter. “Wat wij hier met z’n beiden hebben,” dacht Knuft, “ik en deze knijterbijter, is niet enig. Integendeel.” Hij beschermde zijn knijter met zijn sjampeter. “Nu maar hopen dat er geen sjampetereter in de buurt is,” dacht Knuft, “want dan zal ik m’n sjoermeknoer tevoorschijn moeten halen.”
Welnu, dacht de knijterbijter, niet dan. Niet dan, niet toen, wel nu. En blij als een bij is rijstebrij beet hij knijter. Knuft vermeed de beet. “Nondeju!” schreeuwde hij. “Moet dat?”
De knijterbijter keek hem aan. “Zeg zwamneus,” sprak hij met schorre stem, “is die knijter van jou al gaar? Ik heb nog meer te doen over drie dagen.” Hij haalde een oogbol uit zijn kas en gaf die aan Knuft. “En zoals je kunt zien, ben ik aan de beurt.”
Knuft at de bol op. “Inderdaad.” zei hij, toen hij hem had doorgeslikt, “De gniert is warm vandaag.”